• Home
  • Fotoboek
  • Gastenboek
  • Bookmark
  • Contact

 

Diamantvink (Emblema guttata syn. Stagonopleura guttata)

 

De diamantvink is al meer dan twee eeuwen bij de liefhebbers bekend. Al in 1792 kwamen de eerste exemplaren naar Europa. Aanvankelijk zeer sporadisch maar vanaf 1870 zeer regelmatig. Dat is zo gebleven tot aan het uitvoerverbod dat Australië in de zestiger jaren instelde. Ook tijdens de beide wereldoorlogen lag de import enkele jaren stil.

De diamantvinken van vandaag zijn alle afkomstig van Europese nakweek. Importen zijn er immers niet meer. Dat is enerzijds een groot voordeel, want als we er de oude boeken op naslaan, viel het acclimatiseren indertijd niet mee en waren de verliezen groot. Anderzijds is het thans zo dat we het met het huidige bestand moeten doen en geen gelegenheid meer hebben verloren gegane erfelijke eigenschappen door middel van wildvang weer recht te breien.

Gelukkig mag de gemiddelde kwaliteit van het huidige in gevangenschap gehouden diamantvinkenbestand best gezien worden. Laten we met z'n allen ervoor zorgen dat dat zo blijft.

 

Herkomst

Oost-Australië van zuidelijk Queensland door het oostelijke deel van Nieuw-Zuid-Wales en door Victoria en het zuidoosten van Zuid-Australië tot aan het schiereiland Eyre; ook het eiland Kangaroo.

 

Beschrijving

Man en pop: lengte ongeveer 12 cm. Schedeldek, nek en halszijden zijn parelgrijs; de wangen zilvergrijs; de teugels zwart. Het vleugeldek, de vleugelpennen, mantel en rug zijn grijsachtig bruin. Kin- en keelstreek wit. Dwars over de borst - van vleugelbocht naar vleugelbocht - loopt een ongeveer 12 mm brede zwarte band die aansluit op de met witte stippen bezette zwarte flanken. Onderborst, buik en anaalstreek zijn wit. Stuit en bovenstaartdekveren hebben een helder signaalrode kleur; onderstaartdekveren wit. De grote staartveren zijn zwart. De snavel is koraalrood. De oogkleur is bruin; rondom het oog een ietwat geparelde rozerode lidrand. Poten en nagels zijn donkergrijsbruin.

Het geslachtsonderscheid is slechts minimaal. Veelal is de pop iets smaller en kleiner van bouw, vaak is de borstband smaller dan die van de man, terwijl de teugels vaak wat minder gitzwart tonen. De verschillen zijn echter zo klein en kunnen hooguit als een aanwijzing dienen. Het beste kan men afgaan op de rozerode lidrand om het oog die bij de man iets donkerder is en breder.

 

Biotoop

De diamantvink is van oorsprong een bewoner van de droge grasvlakten met veel laaggroeiend struikgewas en hier en daar een boom. Houdt zich graag op in de nabijheid van waterlopen. heeft zich in de loop der jaren tot een echte cultuurvolger ontpopt en komt bijgevolg ook veelvuldig voor in gewone parken en tuinen.

Diamantvinken broeden meestal paarsgewijs, maar er zijn ook meldingen van koloniebroed. Buiten de broedtijd vormen deze vogels kleine groepen van zo'n 3o stuks. Het voedsel bestaat voornamelijk uit rijpe en halfrijpe graszaden, gedurende de broedtijd aangevuld met allerlei soorten insekten en hun larven.

De plaats van het nest is zeer verschillend, meestal in de buurt van water in dichte bosschages of mistelstruiken, in eucalyptusbomen, acacia's en hakeabomen, gewoonlijk 2-3 meter boven de grond vaak nog lager, maar ook hoger soms tot 30 m. Nestelen in cultuurgebieden ook in sierstruiken en fruitbomen, in het bijzonder in citrusbomen. Menigmaal zijn nesten aangetroffen in de onderbouw van roofvogelhorsten. Ook zijn nesten aangetroffen tegen met klimop begroeide gevels van woonhuizen. Het nest zelf is vrij omvangrijk en doet veelal wat slordig aan. Het bestaat uit een nestkamer en een soort invliegtunnel. Veel nesten van diamantvinken hebben een tweede nestingang. Meestal tegenover de eigenlijke invlieggang, maar ook wel opzij ervan. Opvallend is dat de tweede nestingang geen invliegtunnel heeft en slechts zelden gebruikt wordt. De betekenis ervan is nog een open vraag, mogelijk heeft deze in bepaalde omstandigheden de functie van nooduitgang.

Zoals gezegd, bouwen de vogels een omvangrijk nest: lengte 24-30 cm, hoogte 12-20 cm, breedte 12-17 cm, lengte van de invliegtunnel 5-15 cm. Als nestmateriaal gebruiken ze lange grashalmen, allerlei plantenstengels en dunne twijgen. Men heeft vastgesteld dat de vogels tussen de 500 en 800 halmen of stengels verwerken. De binnenbekleding van de broedkamer bestaat uit plantaardige pluizen en kleine veertjes. Wanneer de vogels slechts een slaapplaats bouwen, ontbreekt veelal de binnenbekleding, ook de invlieggang wordt in dat geval vaak achterwege gelaten.

De natuurlijke broedtijd in Australië valt tussen augustus en januari. Behalve in de koudste maanden juni en juli, zijn ook in de overige maanden wel nesten met eieren gevonden. Gemiddelde nestgrootte 5-6 eieren, af en toe afwijkingen naar beneden of naar boven 4-9 eieren.

 

Huisvesting en verzorging

Over het algemeen genomen zijn diamantvinken sterke vogels, die bij een goede verzorging vrij oud kunnen worden. Tegen vochtige kou zijn ze echter niet bestand Gedurende de wintermaanden moet de temperatuur in het nachtverblijf niet onder de 10-12 graden Celsius komen.

De beste huisvesting voor diamantvinken is een kleine volière waarin slechts één koppel is ondergebracht. Ofschoon de vogels in de wildbaan ook wel in kolonieverband schijnen te broeden, is de kans op een succesvolle fok het grootst wanneer men de vogels apart houdt. Buiten de broedtijd kan men diamantvinken echter met succes in een gezelschapsvolière plaatsen, mits de medebewoners van ongeveer gelijke grootte zijn. Diamantvinken gelden als redelijk verdraagzaam, maar staan bekend als verenpikkers wanneer ze met velen in een te kleine ruimte gehouden worden.

Diamantvinken zijn niet al te moeilijke kostgangers. Als zaadmengsel kan het gewone mengsel voor tropische vogels dienen, verder veel groenvoer, rijpe en halfrijpe graszaden, vogelmuur, gekiemd zaad, trosgierst en dierlijk voedsel in de vorm van miereneitjes en af en toe een meelworm. Vooral in de broedtijd is dierlijk eiwit onontbeerlijk. In de buitenvolière gaat de diamantvink zelf graag op insectenjacht: bladluis, vliegen, spinnen, zelfs kleine regenwormen worden niet versmaad. Ofschoon het zo nu en dan wel eens lukt de jongen uitsluitend met eivoer en halfrijpe zaden op stok te krijgen, gaat het broedsel vaak verloren doordat de meeste paren bij een gebrek aan dierlijk eiwit de jongen uit het nest gooien.

Diamantvinken houden van een bad, vooral 's morgens vroeg. In een niet al te diepe drinkbak duiken ze als het ware helemaal onder water en komen er drijfnat weer uit. Dit herhalen ze het liefst enkele keren per dag. In de zomer is hiertegen natuurlijk geen bezwaar, maar bij slecht en koud weer doen ze dat ook en vatten dan dikwijls kou, met veelal fatale gevolgen. Het is daarom verstandig een en ander in de gaten te houden en bij winterse omstandigheden alleen in de verwarmde binnenvlucht gelegenheid tot baden te geven. Naast water mag maagkiezel, grit en kalk natuurlijk nooit ontbreken.

 

Kweken

Het is namelijk bij elk koppel anders. Treft men namelijk een paar dat het goed samen kan vinden en daarnaast onder optimale omstandigheden wordt gehouden, dan is het niets bijzonders als de vogels het ene nest na het andere grootbrengen. Het zijn dan ideale broedvogels voor de liefhebber.

Voorwaarde voor een succesvolle kweek is in ieder geval de samenstelling van het broedkoppel. Diamantvinken zijn in de keuze van hun partner in ieder geval kieskeuriger dan de meeste andere prachtvinken. Het willekeurig bijeenzetten van een man en een pop leidt zelden tot succes en moet dan ook afgeraden worden. Het beste is, de vogels zelf hun partner te laten kiezen. Men gaat dan als volgt te werk. Een groep vogels, mannen en poppen, wordt in de herfst of winter in een ruime volière bij elkaar gezet. Wanneer men de vogels van een gekleurd knijpringetje voorziet, heeft men na enige tijd wel gezien welke man zich tot welke pop aangetrokken voelt. Men hoeft dan niets anders meer te doen dan het betreffende paartje uit te vangen en in een apart vluchtje onder te brengen. Deze methode zal overigens bij elke vogelsoort tot goede resultaten leiden, maar is in het bijzonder bij diamantvinken van groot belang.

In het algemeen beginnen de vogels met de nestbouw direct na de hofmakerij. Dit laatste is een indrukwekkend schouwspel. Tijdens het baltsen houdt de man een 50-80 cm, soms nog langere meestal groene grashalm in de snavel; met de lengte van dit nestsymbool overtreft hij elke andere prachtvinkensoort. Eerst wordt met een schudbeweging de zwart-wit getekende flank in volle pracht getoond, daarbij richt de man zich vol op, strekt de hals en buigt vervolgens de kop naar onder tot de snavel de borstbevedering bijna raakt; in deze houding begint de man te 'dansen' waarbij de poten met een ruk gestrekt en vervolgens langzaam weer gebogen worden; ondertussen worden de veertjes opgezet zodat de vogel veel weg heeft van een dansend bolletje veren. Ondertussen is de pop de man genaderd; de man buigt zich diep in de richting van de pop waarbij hij er angstvallig voor waakt dat het popje zijn 'gezicht' niet te zien krijgt, alsof hij zich een beetje geneert voor zijn gedrag. Aldus krijgt de pop in de meeste gevallen alleen maar 's mans vurige staart te zien, het kopje afgewend met de snavel zijdelings naar boven gelijk een jong dat om voedsel bedelt. De paring zelf geschiedt in het nest.

Het nestelen geschiedt bij voorkeur in natuurlijke of kunstmatig aangebrachte dichte bosschages. Wanneer halfopen nestkastjes aangebracht worden, moeten deze ten minste afmetingen hebben dat hierin een volledig nest gebouwd kan worden, d.w.z. ongeveer 18 x 18 x 25 cm.

Zoals al eerder opgemerkt, bouwen diamantvinken ook in de natuur omvangrijke nesten. Dit gedrag neemt in gevangenschap eerder toe dan af. Zebravinken tonen dit gedrag eveneens. Voor het broedverloop is het daarom belangrijk dat de drang tot nestelen zoveel mogelijk bevredigd wordt. Is dat niet het geval, dan blijft de drang tot nestelen ook na het leggen zo sterk, dat slecht gebroed of over het legsel heen gebouwd wordt.

Als nestmateriaal dienen in ruime mate groene grashalmen, lange kokosvezel, sisaltouw en voor de afwerking veren ter beschikking te staan. Ook stengels van trosgierst of herderstasje worden graag voor het nest gebruikt. De vogels hebben een grote voorkeur voor lange bouwmaterialen. Hiermee dienen we dus rekening te houden.

Meestal sleept de man het nestmateriaal aan, samen bouwen ze dan het nest. Als het legsel compleet is, broeden beide partners afwisselend. 's Nachts zitten beide vogels op het nest, maar vermoedelijk broedt dan alleen de pop en zit de man erbij. De vogels broeden vast. Nestcontrole is meestal geen probleem. Na 12-13 dagen komen de eieren uit. Beide ouders voeren. Al na een paar dagen kan men de jongen in het nest horen bedelen. In vergelijking met andere prachtvinken is de nestduur tamelijk lang, ca. 24-25 dagen. Wanneer de jongen eenmaal uitgevlogen zijn, zijn ze echter tamelijk ver ontwikkeld, kunnen tamelijk goed vliegen en nemen vrij kort na het uitvliegen al zelfstandig voedsel op. Pas uitgevlogen diamantvinken hebben een bruingrijze schedel en een olijfkleurig rug- en vleugeldek. Stuit en bovenstaartdekveren zijn rood. De staart is zwartbruin. De zijden van de kop olijfgroen, borst en flanken olijfbruin, de flanken met grijswitte streepjesachtige druppeltekening. Het onderlijf is wit. De snavel is nagenoeg zwart met blauwachtige snavelpapillen.

De jeugdrui is op een leeftijd van ongeveer 3-4 maanden en neemt ongeveer 12 weken in beslag. Bij een gebrekkige voeding kan het echter veel langer duren. De snavelkleur laat het langste op zich wachten. Het duurt ongeveer een jaar tot de snavel; volledig is uitgekleurd. De verkleuring begint aan de basis en zet zich voort tot aan de snavelpunt. Lange tijd blijft het rood lichter van tint dan dat van de ouders en daaraan herkend men de jongen het eerste jaar van de oudervogels.

De ringmaat voor diamantvinken is 2,5 mm.
Ringen na 7 a 8 dagen.

 

Mutaties

Van de diamantvink zijn een drietal kleurmutaties bekend.

 

Geelsnavel

Het rood van de stuit en de bovenstaartdekveren is veranderd in okergeel. Ook de snavel is okergeel, aan de snavelbasis echter iets lichter van kleurtint.

 

Bruin

Het zwart is donkerbruin geworden, de kop en wangen lichtbruin, het vleugeldek en de rug zijn warmbruin, de grote staartpennen donkerbruin. Alle overige kleuren als de wildvorm.

 

Bruinvleugel

Mantel en vleugels bruin, iets dieper van tint dan van de vorige mutant.

 

Opmerking: er bestaan momenteel ook bruine geelsnavels en dito bruinvleugels, geen aparte mutatie, maar gewoon een combinatie van erfelijke factoren. De geelsnavelfactor is in beide kleurslagen zonder veel moeite in te kweken.


Inhoud

  • Onze Vogels
  • Zebravinken
  • Diamantvinken
  • Muskaatvinken
  • Bruinborst Rietvinken
  • Rijstvogels

Links

  • Vogelbond (NBVV)
  • Vogelmarkten

Copyright 2010. Privacy Policy | Terms of Use | XHTML | CSS

Design by J. de Ruiter